Zeeuwse Engelandvaarder

Onlangs schonk Leonard. J. Koppelaar uit de nalatenschap van Jacobus C. Stouthamer, zijn oudoom: het verhaal van zijn belevenissen in de oorlog, diens onderscheidingen, persoonlijke bezittingen gerelateerd aan de oorlogsperiode zoals documenten, zijn Banco armband, zijn kompas en verrekijker en nog veel meer aan het museum om daarmee het verhaal te laten voortleven. Jacobus C. Stouthamer werd op 24 januari 1905 geboren in Terneuzen en overleed op 18 oktober 1992 te Zonhoven.

Jacobus Stouthamer, Engelandvaarder uit Sas van Gent
Op 10 mei 1940 hoort Jacobus Stouthamer uit Sas van Gent in de verte het gezoem van meerdere vliegtuigen. Ze komen steeds dichterbij en laten zonder schroom hun bommen boven Sas van Gent vallen. Ondanks dat er wat gebouwen beschadigd zijn, is er gelukkig niemand van de bevolking gewond geraakt.

Na de capitulatie herneemt het leven weer zijn normale patroon. Jacobus Stouthamer is directeur van het arbeidsbureau in Sas van Gent. De druk op de Arbeidsbureaus om voldoende werknemers voor de Duitse oorlogsindustrie te leveren wordt gedurende de oorlog steeds groter.Op steeds jongere leeftijd worden mannen gedwongen om in Duitsland te gaan werken en het was is natuurlijk niet eenvoudig om opdrachten van de Duitsers te omzeilen. Desondanks zorgt Jacobus Stouthamer er, samen met dr. J. van Loy, voor dat er meer de honderd personen niet naar Duitsland hoeven, door bij hen allerlei ziektebeelden te simuleren.

Jacobus Stouthamer geeft in zijn herinnering van 15 november 1982 een voorbeeld:
“Een jongeman moest naar Duitsland, de huisarts trok bloed uit de arm van de jongen zijn zuster en liet dat bloed door de jongen opdrinken. De jongeman werd onmiddellijk naar het ziekenhuis gebracht. In zijn ontlasting waren duidelijk bloedsporen te vinden die op een maagbloeding wezen. Hij werd niet naar Duitsland gestuurd!.”

 


Ook worden via het arbeidsbureau mensen ingezet om te werken aan de bouw van bunkers of de aanleg van mijnenvelden. Met mensen die hij voor 100% vertrouwt, spreekt hij af dat ze hem volledig op de hoogte zullen houden. Deze gegevens zijn voor hem erg waardevol, omdat hij in het verzet zit. Toch moet er ergens een lek hebben gezeten, want op een gegeven moment komen de Duitsers op kantoor van de heer Stouthamer met de mededeling dat ze hem nauwlettend in de gaten houden en hem desnoods naar Duitsland zullen uitzenden om daar te gaan werken.

Op de vlucht
Op zondagavond 4 maart 1943 komt er een leraar van de Technische School (vermoedelijk ook uit het verzet) bij Jacobus thuis langs. Hij raadt hem aan om nog diezelfde nacht te vertrekken naar het hoofdkwartier van het verzet in Brussel, waar Jacobus voor werkt. De leraar had namelijk een gesprek van de Gestapo afgeluisterd en vernomen dat Jacobus in de nacht van zondag op maandag rond 02.00 uur zou worden opgepakt. Hij vertrekt nog die nacht om in de ochtend met de eerste trein via Gent naar Brussel te reizen.

Aankomst in Brussel
Bij aankomst in Brussel heeft hij een gesprek met de commandant, Graaf van Kroonbrugge. Doordat Jacobus bouwkundig en als technisch tekenaar geschoold is, krijgt hij als taak om de Duitse bouwwerken die het verzet observeert in Zeeland uit te tekenen. Tevens legt hij vast welke bedrijven in Zeeland en Noord-Brabant voor de Duitsers werken. Van deze tekeningen worden microfoto’s gemaakt die naar Engeland worden gesmokkeld; veel bouwwerken worden vervolgens door de Engelse luchtmacht gebombardeerd.

Op elke tekening noteert Jacobus de initialen P.A.T., de afkorting van zijn schuilnaam Paul Albert Terbeke. De leidinggevenden van het verzet willen namelijk niet dat leden van het verzet hun echte naam gebruiken en op die wijze kent niemand elkaars echte naam.

Als Jacobus zo’n vier maanden in Brussel zit, ziet hij meerdere malen een man langs zijn raam lopen die steeds naar binnen kijkt. Hij vertrouwt het niet en brengt de commandant hiervan op de hoogte. Deze ziet er geen gevaar in, maar Jacobus blijft bij zijn wantrouwen. Die nacht slaapt Jacobus bij vrienden in Brussel en de volgende dag blijkt dat iedereen (op één man na) in het huis waar de verzetsmensen werken is opgepakt.

De tocht naar Engeland
Na overleg met de waarnemend commandant wordt besloten dat Jacobus Stouthamer samen met 5 piloten naar Engeland zal vertrekken. Internationaal reizen is echter verboden, tenzij men een speciale vergunning heeft. Treinen worden gecontroleerd en valse papieren moeten uitkomst bieden. Via België en Frankrijk vinden de reizigers hun weg naar de belangrijkste tussenstop: het neutrale Zwitserland. De rest van de survivaltocht voert opnieuw door Frankrijk tot ze arriveren in Saint-Jean-de-Luz aan de Pyreneëngrens.

Hier wordt de groep om 20.00 uur opgepikt door een lokale gids met diens hulp wordt de bergketen langs kleine paadjes en over bergkammen overgestoken, soms via de lager gelegen kustgebieden, maar vaak ook over de hoogste toppen waar minder wordt gepatrouilleerd. De Engelandvaarders trekken zonder berguitrusting in een moordend tempo de bergen door om uit handen van de Duitse patrouilles te blijven. Grote delen van de tocht worden ’s nachts afgelegd. Na ruim 18 uur klimmen en dalen komt de groep aan bij familie van de gids. Hier krijgen ze eten en zes uur rust, waarna ze weer vertrekken om het laatste deel van de tocht te volbrengen.

Bij aankomst in Spanje staat er een grote auto van de Britse ambassade op de groep te wachten. De ambassade-arts onderzoekt en verzorgt de mannen, waarna zij via de Britse basis in Gibraltar met de “S.S. Samatia” naar Liverpool varen.

Aankomst in Engeland & de terugkeer naar het vaderland
Engelandvaarders die veilig in Engeland aankomen, worden door de Engelse veiligheidsdienst MI5 verhoord en onderzocht op betrouwbaarheid. Iedere Engelandvaarder moet zijn complete reisverhaal tot in detail vertellen, omdat de Britten zo interessante informatie voor de geallieerde oorlogsvoering kunnen verzamelen. De Britten controleren de informatie en vergelijken die met wat ze al weten. Pas als de Engelandvaarders deze controle goed doorstaan, is men vrij. Echter niet voor lang, want de Nederlandse Politie-Buitendienst zet de Engelandvaarders direct weer vast en doet het verhoor nog eens over. Pas na dit verhoor kan men gaan om zich verplicht aan te melden voor de oorlogsdienst.

Omdat Jacobus Stouthamer 15 jaar directeur geweest is van het regionaal arbeidsbureau in Sas van Gent moet hij zich bij de Minister van sociale zaken in Londen melden. Excellentie van Tampel benoemt hem tot hoofd van het Nederlands Arbeidsbureau in Londen.

Na een maand wordt Jacobus door de Adjudant van de Koningin uitgenodigd om zich te melden bij Hare Majesteit Koningin Wilhelmina. Met genoegen neemt hij deze uitnodiging aan. De Koningin blijkt zeer belangstellend en weet alles van wat Jacobus in Zeeland voor het verzet heeft gedaan en van de tocht die hij met de 5 piloten aflegde naar Engeland.

Pas 8 maanden na aankomst in Engeland ontdekt het Ministerie van Oorlog dat Jacobus in Nederland reserve-officier bij de genie is en daarom krijgt hij een oproep dienst te nemen bij de technische dienst van de Nederlandse genietroepen in Londen. Hij draagt het bureau in Londen over aan een collega en vertrekt naar de genie.

Op 12 september 1944 vliegt Stouthamer samen met een groep officieren van Londen naar het bevrijde Brussel. Daar verblijft hij enige tijd, waarna hij doortrekt naar Zeeuws-Vlaanderen om er enige tijd deel uit te maken van het militair gezag.

Militair gezag Zeeland   
 object van de maand april 2017 3

Het Militair Gezag was een orgaan van de Nederlandse regering. De bevoegdheden ervan waren vastgelegd in het uit september 1943 daterende Besluit Bijzondere Staat van Beleg. Het hoofd van het Militair Gezag (MG), de chef-staf, stond rechtstreeks onder de Minister van Oorlog. Tot de bevoegdheden van het MG hoorden vooral het opleggen van beperkende maatregelen aan de burgerij zolang er nog een oorlogstoestand heerste en zolang de regering nog niet in staat was om de touwtjes in handen te nemen. 

Het MG moest ook de vertegenwoordiging en de verbinding van de Nederlandse regering met de geallieerde legerautoriteiten vormen, waartoe van die zijde Civiel Affairs in het leven was geroepen. Meestal zaten MG en CA, althans in Zeeland, in hetzelfde pand. Het was de opzet van de Nederlandse regering om het MG maar zo kort mogelijk te laten bestaan en zo snel mogelijk na de bevrijding weer een gewone situatie te creëren, waarin geen plaats meer was voor beperkingen voor de bevolking. De werkelijkheid was echter anders. Doordat de geallieerde legereenheden bij de grote rivieren waren blijven steken, bleef in het al bevrijde deel van Nederland het Militair Gezag als vertegenwoordiging van de Nederlandse regering het hoogste gezagsorgaan.

Deze situatie bracht de nodige conflicten met zich mee tussen de chef-staf, generaal mr. H.J. Kruls, en een groot aantal leden van het kabinet, dat zich gefrustreerd voelde in hun wens hun gezag weer te doen gelden. Voor elke provincie was in de structuur van het Militair Gezag een Militair Commissaris bestemd en voor Zeeland was dat de Kapitein-Luitenant ter Zee C.W. Slot. Slot had geen enkele binding met de provincie en dankte zijn benoeming aan zijn achtergrond als marineman. Hij had zich eind september 1944 voorlopig in het gemeentehuis van Axel gevestigd.

Over personeel, vervoer of enige andere ondersteuning beschikte hij nauwelijks, al kreeg hij na enkele dagen gezelschap van kapitein P. de Bruijne en eerste-luitenant J.C. Stouthamer. De komst en de functie van het Militair Gezag werden zowel door Slot zelf als door de geallieerde opperbevelhebber generaal Eisenhower en de Nederlandse regering in aanplakbiljetten bekendgemaakt. Onder meer voor de leden en de leiding van de Ordedienst was het aantreden van deze nieuwe gezagsdragers, evenals de door hen verordende beperkingen, een onverwachte en vaak onaangename verrassing.

object van de maand april 2017 4


logo pzcDe provinciale Zeeuwse Courant schreef een mooi artikel over deze objecten, klik hier om het te downloaden.