Djokja-zilveren theeservies

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woont het gezin Arnold in Batavia (nu Jakarta). Spoedig na de Japanse inval worden ze, zoals veel Nederlanders, geïnterneerd in de zgn. Jappenkampen, o.a. kamp Adek in Batavia. Dit kamp ligt bij de spoorlijn van het Koningsplein naar Meester Cornelis, even ten noorden van de werkplaatsen van de Spoorwegen. De naam is een afkorting van Algemeen Delisch Emigratie-Kantoor, het gebouw waar het kamp gevestigd is. Na de Japanse overgave, wordt het kamp eerst nog enige tijd bewaakt door de verslagen Japanners, maar na enige tijd wordt dit overgenomen door het Nederlandse 14 R.I., Bataljon Zeeland.

Als tijdens en na de Bersiap periode de familie Arnold inmiddels niet langer in het kamp woont, stellen ze hun huis gastvrij open voor de Nederlandse militairen die ze hebben leren kennen in het kamp. Mogelijk zien de Zeeuwse OVW-ers  dan een prachtig Djoka theeservies staan op de met draken gedecoreerde donkere kamferkist, die zo donker is dat jongere kinderen er soms bang van zijn. De familie kan goed opschieten met de militairen en enkele militairen, waaronder Lau Traas en Rinus de Schipper, schrijven een zelfgemaakt versje in de poëziealbums van de kinderen, Marianne en Willy Arnold.




In 1947 gaat het gezin op verlof naar Nederland. Mevrouw Arnold zoekt dan contact met enkele moeders van de Zeeuwse militairen, die dan nog in Indië zijn. Zij vindt het belangrijk om de moeders te informeren over hun zonen. De kinderen van het gezin Arnold mogen in 1948 zelfs een tijdje logeren bij de moeder van Rinus de Schipper.

Mevrouw Arnold houdt ook daarna altijd contact met de moeders van de militairen Lau Traas en Rinus de Schipper. Bij de Watersnoodramp in 1953 schrijft ze hen vanuit Indië een bemoedigende brief.

Rond 1958/59 gaat het gezin Arnold definitief terug naar Nederland en het theeservies gaat mee en  het blijft in de familie totdat Mevrouw Schaap-Arnold, de oudste dochter, het servies schenkt aan Bevrijdingsmuseum Zeeland, vanwege de warme herinneringen aan en de sterk gevoelde band met  14 R.I. Bataljon Zeeland.

Meer over het servies
Djokja-zilver dankt zijn naam aan de stad Jogjakarta (het huidige Yogyakarta) op Java, Indonesië. Het werd gemaakt in de periode 1930-1970. Opdrachtgevers waren veelal in Nederlandsch- Indië gestationeerde Nederlanders. Als in 1949 het koloniale tijdperk ten einde komt, is ook de bloeitijd van het Djokja zilver voorbij. De productie neemt geleidelijk af, want de afzetmarkt is gedecimeerd. Wel wordt Djokja-zilver nog enkele decennia in de Diplomatieke Dienst van Indonesië als geschenk-artikel gebruikt.

Voorwerpen van Djokja-zilver zijn bijna altijd gemaakt van 3e gehalte zilver. Dat betekent dat de zilverlegering bestaat uit 80% zilver en 20% nikkel en/of koper. Omdat zilver een zacht en gemakkelijk plooibaar edelmetaal is, is toevoeging van een ander metaal essentieel. De hardheid en trekvastheid van het zilver worden erdoor vergroot. Het gehalte wordt aangeduid met het in de voorwerpen ingeslagen getal 800. 

Het theeservies, inclusief het grote, ovale dienblad met accoladerand is gedecoreerd met lotusbloem-motieven. Zowel knop, bloem, bladeren, stengels als wortels van de lotus worden in gestileerde vorm gebruikt ter verfraaiing. Ook het vlak van het theeblad is bewerkt. Duidelijk is daarmee de invloed van de Islamitische kunst, met zijn volledige vlakvulling. Geen stukje van het materiaal blijft onbewerkt. Omdat een diep reliëf hier echter zeer onpraktisch zou zijn, is het bewerkt in hamerslag-motief. Fraai is ook de schenktuit van de grote trekpot: een vogelkop met scharnierende snavel. 

Djokja zilveren voorwerpen zijn vervaardigd in “repoussé”-techniek, wat betekent dat op een mal of bol pek wordt aangebracht, waarop men de te kloppen zilverplaat legt. Met ponsjes en vormhamers van verschillende formaten wordt het reliëf van binnen naar buiten in de zilverplaat geklopt. Wanneer het (taaie) pek daarna wordt verwarmd, kan het voorwerp van de mal losgehaald worden. Door middel van zaagwerk worden daarna de accolade-randen afgewerkt. Vervolgens wordt het voorwerp “gezwart”: door het aanbrengen van een calciumsulfaatoplossing, gevolgd door verhitting, slaat het zilver zwart uit. Door vervolgens de hogere delen van het reliëf te polijsten wordt het eindresultaat bereikt: de diepere delen van het reliëf blijven mat en donker, de hogere delen worden zilverwit en glanzend. Het resultaat: maximaal contrast! 

Djokja-zilveren voorwerpen worden al vanaf de beginperiode voorzien van de initialen van de maker. In het geval van dit theeservies zijn dat er twee:

(1). SRS voor het bedrijf Sastro, Ridwan & Sukarto. Zij maakten het dienblad, de beide trekpotten, suikerpot met -lepel, theezeef op uitlekbakje en het lepelvaasje met 6 lepels. Deze voorwerpen vormen met elkaar het feitelijke theeservies.
(2). TS zijn de initialen van Fa. Tjokosoeroso. Zij maakten de twee ronde dienschaaltjes, die ongetwijfeld gebruikt werden om zoete lekkernijen bij de thee te serveren. De dienschaaltjes zijn een aanvulling op het theeservies. 

Het hele servies werd voor ons museum in 2017 keurig opgepoetst door Compagnie Culinaire, Middelburg.         

object van de maand augustus 2017 1